De nederzetting “Cuerne” is vermoedelijk ontstaan in de 11de eeuw, wanneer op initiatief van de toenmalige graaf van Vlaanderen op systematische wijze aan bosontginning wordt gedaan. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de regio van Zuid-West-Vlaanderen, en meer bepaald het Leiegebied, zowel in de prehistorie als in de Romeinse tijd, een vrij dichte bewoning gehad heeft. De oudste sporen van menselijke nederzettingen dateren uit de Late-Steentijd. Verspreid over de gemeente Kuurne werden op zeven plaatsen vuurstenen vondsten gedaan, onder meer aan de Heulebeek en op het gehucht “De Kouter”. Ook op de vlakke kouters in het noorden van de gemeente werd in 1986 een vindplaats gelokaliseerd, evenals aan de Hulstsestraat en de Koning Boudewijnstraat.
De oudst gekende heerlijkheid op het huidige grondgebied Kuurne is het “Goed te Bonaert” of “ten Bonaerde”. In een bevestiging van goederen van de abdij van Elno, noemt Karel de Kale een domein dat in 821 aan de abdij was gegeven. Van dit domein maakte het “Goed te Bonaert” deel uit. Volgens de opzoekingen van Joseph Melsens (voormalig gemeentesecretaris van Kuurne) wordt het goed voor het eerst vernoemd in een charter van de Sint-Amandsproosdij in 980 en was het eigendom van de toenmalige graaf van Vlaanderen. Een tweede domein lag in het noordoostelijk deel van Kuurne en werd door de graaf geschonken aan de Sint-Pietersabdij van Gent. In 1123 komt de abdij van Voormezele in het bezit van gronden te Kuurne, en verschijnt tevens de eerste vermelding van Kuurne. De ‘Villa de Curnes‘ is dan waarschijnlijk een woonkern, gelegen op de droge en hoger gelegen vruchtbare zandleemkouters, die in de onmiddellijke nabijheid lagen van de alluviale valleien van de Leie en de Heulebeek. De volgende vermelding ‘Cuerna’ stamt uit 1146. Andere schrijfwijzen zijn ‘Cuerne’ (1169), ‘Curna’ (1197), ‘Curne’ (1201) en ‘Querne’ (1262). In 1183 is het goed eigendom van het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Kortrijk. Het grondgebied is te situeren tussen de Leie, de Kortrijksestraat en de Gouden Rivierlaan. In de 17de eeuw is de hoeve reeds verdwenen.
De oudste met naam genoemde heer van Kuurne zou Jakob Van Halewijn zijn, die ook heer van Gavere en Halewijn was, en in 1262 stierf. Kuurne bleef lange tijd een grafelijke heerlijkheid, die in 1564 in pacht werd gegeven aan Jan de Tollenaere, en in 1642 in handen kwam van Rogier Robrecht Rulandt. In 1716 was het de beurt aan heer Karel Mesdagh, om tenslotte Jos Emmanuel le Paige als laatste heer te hebben, wiens wapenschild uiteindelijk in 1980 het officiële wapen van Kuurne werd. Een eerste kerk in Kuurne wordt reeds vermeld in 1146, als het patronaatsrecht geschonken wordt aan de Sint-Maartensabdij van Doornik. De lakennijverheid was, naast de vlasnijverheid die vooral in de 14e en 15e zijn intrede deed in de Leievallei, gedurende lange tijd, zij het met een weliswaar wisselende intensiteit, een toonaangevende bedrijvigheid voor Kuurne.
Volgens Maurits Gysseling (taal- en naamkundige) is de naam ‘Kuurne’ afgeleid van een prehistorische waternaam verwijzend naar de ‘glanzende’. Waarschijnlijk is dit een aanduiding van de helderheid van het water of van de kleur van de bodem.
*bronnen zijn o.a. de Inventaris Onroerend Erfgoed 2025 – Kuurne [online], https://id.erfgoed.net/themas/14732, alsook Wikipedia en het boek van Joseph Melsen “Geschiedenis en evolutie van de gemeente Kuurne”.

